Ode aan de doden 2019

Het is in de stilte. Het gebeurt als alle geluiden om je heen wegvallen. Precies dan.. het begint als fluisteren, maar langzaam wordt het sterker, totdat je het hoort. Die ene stem. Van hem. Van haar. Het lijkt wel alsof ze naast je zit, alsof hij zo de kamer in loopt.

Het gebeurt in de stilte. Als alles om je heen weg valt. Indrukken, mensen. In dat onbewaakte, onverwachte moment dat je alleen bent. Langzaam kruipt het gevoel van eenzaamheid in je lichaam. Verdriet, machteloosheid, boosheid… en de duisternis weerspiegelt de kleur van je ziel. Het is donker. Het doet pijn.

Het kan je ook zo maar gebeuren wanneer je in een groep met mensen zit.

Dat opeens de stemmen en geluiden op de achtergrond raken. Alsof ze wegglijden in een soort van donker gat. Opeens zit je daar. En alle grote en kleine vragen van het leven komen als een zwerm vogels om je heen vliegen.

Het leven lijkt opeens totaal onbegrijpelijk. Onlogisch ook. Flitsen van beelden van het journaal schieten voorbij. Krantenkoppen met schreeuwende titels.

Ik kan wel willen dat het donker wordt, zodat u mij niet ziet.

Ik kan wel willen dat de dag verandert in nacht.

Maar voor u is het donker niet donker

Voor u is de nacht net zo licht als de dag.

De duisternis lijkt op het licht.

Zo dicht de psalmist van psalm 139.

 

Dag duisternis

Hier ben ik.

Ik wil met je praten.

Het is de eenzaamheid die me hier brengt

Het is mijn gemis, mijn verdriet.

Het is mijn gevoel van weemoed, van verlangen naar een vervlogen tijd

Dag duisternis..

Omhul mij, omgeef mij.

Laat jouw stilte het stil maken in mij.

Laat in het geluid van de stilte, de stem van de Eeuwige zijn hoorbaar zijn…

aansluitend:

Lezing: Genesis 49: 28 – genesis 50: 14

Lieve mooie mensen van God,

Wat een verhaal is dit. De dood van Jakob. Het is het allerlaatste verhaal uit het eerste bijbelboek Genesis. Jakob, de strijder met God, die Israel genoemd wordt. Jakob, de bedrieger, die zijn broer de zegen ontfutseld heeft. Jakob, de man die twee keer zeven jaar gewerkt heeft voor zijn grote liefde Rachel, maar eerst Lea huwen moest. Jakob, vader van twaalf zonen, waaronder Jozef, de dromenkoning. Jakob… die op zn oude dag toch tegen alle verwachtingen in verenigd wordt met zijn dood gewaande zoon. Diezelfde Jozef. In Egypte. Die Jakob.

Jakob is in Egypte. En hij voelt dat hij gaat sterven.

Al zijn zoons roept hij bij zich. Voor elk van hen heeft hij woorden ten afscheid. En hij zegent al zijn kinderen. En met die zegen, spreekt hij woorden van toekomst over hen uit.

Zo zal het jou vergaan Ruben, zo zal het voor jou zijn Juda, en Jij Naftali, en jij Gad.. en jij.

Een voor een legt hij zijn oude rimpelige handen op hun hoofd. Hij kan nauwelijks nog zien, maar hij voelt welke jongen hij onder zijn vingers heeft. Jakob, de man die zelf zijn eerste zegen heeft gekocht en zijn tweede zegen heeft afgedwongen bij de rivier de Jabbok…deelt nu overvloedig woorden van leven en belofte. Hij weet als geen ander, hij voelt in elke vezel van zijn lichaam, wat een kracht een zegen heeft, wat een impact. Er is niets zo intiem en intens als een zegen.

Begraaf mij straks in Kanaan, is zijn verzoek aan zijn zoons. Bij mijn voorouders, bij Abraham, Isaak en Sara en Rebekka en Lea… daar wil ik te rusten gelegd worden.

En dan trekt hij zijn benen op het bed, gaat liggen en met een diepe zucht blaast hij zijn laatste adem uit.

En Jozef boog zich over het lichaam van zijn vader heen. Hij kuste Jakobs gezicht en huilde… zo staat er.

 

Het is zo beeldend geschreven dat u, jij en ik er meteen een plaatje bij hebben. Een gevoel zelfs. Het moment dat jouw dierbare sterft of net gestorven is.

Of het nu je vader is, of je moeder, je geliefde, je broer of zus, je kind, je oma.. dat moment… dat voel je, als je eraan denkt, waarschijnlijk nog.

Het moment, dat je leven in eens anders geworden is. Hoe anders, dat is niet te overzien. Dat het anders is, dat staat vast. Want die ene geliefde, die ene mens, is niet meer. Want als een dierbare je ontvalt, gebeurt er nogal wat. Alles komt van zijn plaats. Niets is meer hetzelfde. En alles moet opnieuw worden bedacht en beleefd. Wij noemen dat rouw.

 

In de bijbel is er voor die rouw een tijd-periode. Een tijd-periode van veertig dagen wel te verstaan. 40 Dagen leven in en met de dood. Heel bewust. We lazen dat de artsen van Jozef het lichaam van Jakob veertig dagen lang verzorgden met geurige olie. Leven met de dode dichtbij, zou je kunnen zeggen. Met aandacht. Met zorg. Aanraakbaar verdriet. Aanraakbaar gemis ook. Je hoeft hem of haar nog niet los te laten, je kunt je nog even vasthouden aan hem of haar. Nog even bij je denken, de leegte nog heel even niet voelen.

 

Veertig dagen lang.

Totdat dan toch dat onvermijdelijke moment komt, om die mens helemaal los te laten. Aan het eind van de rouwtijd. Aan het eind van die veertig dagen.

Wij kennen dat helemaal niet meer zo, hier in onze, in deze tijd. Het leven vraagt, of nee, beter gezegd, dwingt ons vaak al heel snel om weer mee te doen. Om maar weer op te staan en verder te gaan.

Ik vond het daarom ook zo goed en bijzonder om te horen van Iso, hoe jij, na veertig dagen naar Turkije bent gegaan, om daar Lucia te gedenken. Haar leven te vieren en met zoveel mensen het moment te markeren waarop je haar los kon laten. Je vertelde ook dat er een last van je af ging. Het was een voelbaar moment voor jou.

 

En zo trekt er een stoet richting Kanaan. Jozef, zijn broers en zijn gehele hofhouding. Zij zijn op weg om het lichaam van hun overleden vader te ruste te leggen in de grot van Makpela. Het is een hele grote stoet, zo staat er.

En als ze de Jordaan zijn overgestoken, heffen ze een luide en plechtige klaagzang aan. Het is zo luid, dat de mensen in Kanaan er van alles van vinden: gut zeg, die Egyptenaren hebben verdriet. Je hoort t ze tegen elkaar zeggen.

 

Er wordt tijd en ruimte genomen om afscheid te nemen, om het verdriet te voelen. Zo veel dat mensen ervan opkijken.

Daar kunnen we ons misschien niets bij voorstellen. Als wij een ander met groot verdriet zien, dan wil dat nogal eens afschrikken. Of, andersom, we willen niemand tot last zijn met ons verdriet. Dus we houwe ons in. Houwe ons sterk. We zijn zelfs bang om te huilen op de uitvaart. Want ja…verdriet, rouw, het is geen gezicht! Dat moeten die mensen in Kanaan ook gedacht hebben. Dat ziet er niet uit!

Nee, natuurlijk niet. Verdriet ziet er niet uit! Dat doet namelijk pijn. Dat is donker. Dat is rood van tranen. Dat is een verwrongen gezicht. Dat is snot en weet ik veel wat. Verdriet ziet er niet uit!

Maar het moet er wel uit!

Dat heeft tijd nodig.

Ruimte.

Aandacht.

Erkenning.

Veel praten. Steeds weer opnieuw.

Over die ene.

Over haar.

Over hem.

Totdat … totdat het opeens minder lelijk wordt. Zachter. Totdat het verdriet plaats maakt voor die grote leegte van gemis.

En dan leggen Jozef en zijn broers hun oude vader in de handen van levende God, de God die Abraham riep, die aan Isaak en Jakob zijn trouw getoond heeft en die nooit zal los laten wat haar handen ooit is begonnen.

De stoet heeft hem thuis gebracht. En God draagt hem met zich mee voor altijd. In liefde geborgen, dichtbij aan het hart van de levende God. Samen gebracht met hen die hem voor zijn gegaan. De stoet keert terug naar Egypte. Ooit zullen ze weer samen zijn…ooit ook zullen zij thuis komen. Maar nu nog niet…nu nog niet.

Zo zitten wij hier vandaag ook. Onderweg in een stoet van mensen met wie wij verbonden zijn. Even verkerend op een grensgebied in de tijd, waar dood en leven elkaar raken. Ouders, geliefden, kinderen… Mensen die ons voorgegaan zijn en al diegenen die nog komen gaan. Wij zijn gezien, gezegend met een belofte van leven. Allemaal, zij die waren en wij die zijn en zij die komen zullen.

Vandaag staan we stil bij hen die weggevallen zijn uit de stoet. Zij die al thuis zijn, thuis in het land van belofte, dichtbij God, bron van leven en liefde. Noemen we de namen die horen bij die lege plekken. En met het noemen van die naam, zijn ze weer heel even hier. We trekken als het ware de hemel even open om te weten, te voelen: ze zijn geborgen in die grensoverschrijdende liefde van God.

Wij zijn nog onderweg. Voelen nog, misschien juist vandaag weer even heel sterk, de pijn en het verdriet van het gemis. Worden weer even herinnerd aan dat ene moment. Dat je los moest laten. Het mag zeer doen. Het mag er zijn. Tijd, ruimte, aandacht… het mag bestaan, vandaag en voor zolang je het nodig hebt.

Tegelijk is daar die zegen, die belofte van leven, van toekomst. Ook die heeft tijd van leven.

Dat is het leven dat ons wenkt, dat ons draagt, ook door die donkere dagen verdriet heen.

Dat is de liefde waarmee wij met elkaar verbonden zijn, een liefde die sterker is dan de dood, groter dan het afscheid, intenser dan welke zegen dan ook.

Dat is de hoop, die ons voedt dat we allemaal ooit thuis zullen komen…ooit…maar nu nog niet, nu nog niet…

We hebben elkaar beloofd dat we altijd samen op zouden lopen

En dat wanneer we in de schemer zouden verdwalen

en onze handen los zouden geraken.

dat ik op je zal wachten.

Lief, als ik achterop raak, wil jij dan op mij wachten?

Samen zijn we deze reis begonnen

En we hebben elkaar geholpen om op koers te blijven.

Maar geliefden lopen soms in een ander tempo.

Ik zal op je wachten, lief.

En als ik achterop raak, wil je dan op mij wachten?

Tuurlijk, iedereen droomt van eeuwige liefde,

Maar wij weten hoe deze wereld in elkaar zit.

Laten we ervoor zorgen dat we een duidelijk spoor maken, zodat we elkaar altijd kunnen vinden.

En ik beloof je: ik zal op je wachten. En als ik achterop raak, wil jij dan op mij wachten?

Weet je nog, daar bij die rivier, onder de ouwe eik,

Waar we elkaar trouw beloofden?

Mochten we elkaar kwijt raken, in de schaduw van de tijd

Ik zal op je wachten mijn lief.

En als ik achterop raak,

Wacht jij dan op mij…

 

 

 

 

 

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.