Paulus, de bekering

Als inleiding op de viering is er verteld over het nieuwe boek van historicus Rutger Bregman: De Mens Deugt. Een positief, optimistisch mensbeeld zou onze visie op de samenleving volledig veranderen.

De tip van Paulus daarbij, kwam uit Romeinen 12: 15-17 en 21

Introductie van de lezing:

De weg naar Damascus.

We schrijven het jaar 34 na Christus. De mensen van de weg, want zo noemden de volgelingen van Jezus zich, waren inmiddels al ‘verstrooid’.

Damascus was vanuit Jeruzalem de eerste grote stad in Syrie waar een grote joodse diaspora vestiging bestond. Dit zijn met name Grieks sprekende joden ( zoals Paulus er ook een was). Onder hen bevonden zich inmiddels ook Grieks sprekende joden die zich aangesloten hadden bij de beweging van Jezus’ volgelingen.

Deze groep wekte grote woede en frustratie op bij Paulus, omdat zij de kernpunten van het joodse geloof, vastgelegd in de Thora, de wetten van Mozes, ondermijnden. En Paulus als Farizeer was een juist n liefhebber en aanhanger van die wetten.

Paulus hoopte dat door zijn optreden tegen de christelijke gemeente in Damascus de groei van het nieuwe geloof buiten Jeruzalem tot staan kon brengen. Andere gemeentes zouden hetzelfde lot ondergaan en zo zou er geen nieuwe aanwas meer komen bij de christenen in Jeruzalem en zou t een kleine sekte blijven.

De weg naar Damascus is best lang en ver. Ongeveer 220 km van Jeruzalem vandaan. Hij zal te paard gereisd hebben.

Hoe zit dat nou met het onderscheid Saulus en Paulus. Je zou kunnen denken dat Paulus na zijn bekering en doop zn naam veranderd heeft in Paulus. Nieuwe naam, nieuw begin.

Dat is niet helemaal waar.

Zoals je weet: Paulus was een jood, met romeins burgerrecht. Het was heel gebruikelijk dat diaspora-joden twee namen hadden: een voor in de synagoge ( Saulus) en voor het openbare leven.

Dat Paulus voor zijn bekering consequent Saulus genoemd werd en dat t na de gebeurtenissen in Damascus toch vaker Paulus werd, is niet echt te verklaren.

Augustinus, de kerkvader, vond de volgende verklaring wel plausibel:

In het latijn betekent paullus ‘klein’. Paulus noemt zichzelf meermaals  ‘ de minste van de apostelen’. Dat doet hij, omdat hij itt de andere apostelen, Jezus nooit gekend heeft en dus niet rechtstreeks de opdracht, de zending van Jezus heeft ontvangen.

Dus paullus, klein, zou verwijzen naar zijn status als ‘ de minste’ en ook naar het gegeven dat hij ws klein van stuk was.

Hoe dan ook: Saulus en Paulus zijn een en dezelfde. En het is dus niet zozeer een werktitel: zoals Simon Petrus werd, zeg maar.

Goed, het jaar 34 na Christus dus. Een gefrustreerde Saulus met een missie op weg naar Damascus. Tegelijk, en dat is heel belangrijk om je te realiseren, was er bij Paulus ook de fascinatie voor de vasthoudendheid en de toewijding van die nieuwe beweging. Hij was t zn stand verplicht om dit onkruid uit te roeien, maar helemaal zeker van de zaak was hij ook niet. Maar aangezien zn reputatie nou niet er een was, die de deuren zou openen voor n goed gesprek met de christenen, zat er voorlopig niets anders op dan op de gekozen weg verder te gaan.

Dus te paard, naar Damascus

lezen: Handelingen 7:56 – 8: 3

overweging:

Lieve mensen van God,

Chaos vraagt een herscheppend woord.

Mooie zin is dat, die we net zongen. Chaos vraagt een herscheppend woord.

Het is chaos in zn hoofd, het hoofd van Paulus.

Hoe kan t ook anders. Denk je eens in.

Uit Jeruzalem vertrok een man on a mission. Hij wist wat m te doen stond. Brieven onder zn arm. Je zou m haast kunnen omschrijven als iemand met n rode waas voor zn ogen. Zo vol van frustratie zat ie.

Wat is dat toch eigenlijk in Saulus, dat ie zo gewelddadig en bezeten de weg van Jezus moest bestrijden? Ik denk wel eens, pas als een ander mens je echt raakt, dan ga je je opwinden. Het raakt Saulus, dat verhaal over die Jezus. Dat uiterlijke verzet moet misschien dat innerlijk verlangen verbloemen. Saulus wíl er gewoon niet aan. Het kan niet!

En terwijl ze door het gebergte van Gilboa reizen, kan het haast niet anders zijn geweest, dat de vrome Saulus, de geleerde Saulus, even herinnerd wordt aan zn naamgenoot, koning Saul. Want het was precies in dit gebergte waar koning Saul, de jonge gezalfde David achterna zat.

Onderweg komen ze ook nog langs Nazareth. Het zou me verbazen als Saulus niet even gedacht moet hebben: oh, daar kwam ie dus vandaan, die Zoon van David, zoals zn volgelingen hem noemen. Die mislukte Messias. Alles onderweg deed m nog harder vastbijten in de waarheid die hij zichzelf voorhield.

En dan, bijna bij Damascus, je ziet het al liggen in de verte, daar gebeurt het.

In het taalgebruik herkennen we de schrijver Lucas.

“En plotseling straalde er een licht uit de hemel om hem heen.”

Net zo plotseling als dat licht uit de hemel, toen de herders in het veld verteld werd dat Jezus was geboren. De vredestichter, de redder.

Nu weer: Saul Saul… zegt n stem. Niet Saulus, maar Saul… ergens toch die echo aan dat oude verhaal tussen de koning Saul en de gezalfde David.

“Waarom vervolg je mij”.

“Wie ben jij, vraagt Saulus.

“Ik ben Jezus, die jij vervolgt”.

De mannen met Saulus, hoorde wel een stem, maar zagen niets. En Saulus? Hij zag ook niets meer.

Saulus was blind geworden. Je zou bijna kunnen zeggen: als je God recht aanstaart, als je recht in het licht kijkt, dan kun je ook niets meer zien. Dan moeten je ogen zich opnieuw aanpassen aan een hele nieuwe manier van kijken. Saulus moest opnieuw leren kijken, leren zien.

Wie ben jij? Dat was de vraag, dat is de vraag. En voor een man di altijd alles weet, uiterlijk dan althans, een knappe theoloog, een kenner van israels boeken, een dienaar van de wet…is dat nogal een vraag. Wie is deze Jezus tegen wie hij zich zo verzet? En wie is God? En wat is dan nu de weg die hij gaan moet? Saulus moet van de grond af aan opnieuw gaan denken en geloven.

Tja, die chaos vraagt wel een herscheppend woord, zou ik zeggen.

Bij dit verhaal moet ik vaak denken aan broeders en zusters, om ze zo maar even te noemen, uit de wat meer behoudende hoek. Ik merk dat wanneer ik met de wat meer orthodoxere gelovigen in gesprek ben, er een grote angst is. Namelijk de angst: wat als ik niet meer geloof, wat ik denk zeker te weten.

Het klakkeloos aangeleerde geloof van de traditie. Het onbetwiste geloof.

Er is angst om als je een dingetje zou laten varen, ik noem maar wat… dat het scheppingsverhaal niet echt zo gebeurd is…dat je dan op een hellend vlak terecht komt. Want als dat niet waar is…wat is er dan nog meer niet waar… Ik merk dat er een soort volhardende overtuiging heerst, waar ook bijna niet echt een gelijkwaardig gesprek mee te voeren is.

Ergens voelt dat als een soort van motie van wantrouwen tegen je eigen geloof. Wat zou er gebeuren als je bepaalde overtuigingen, aannames zou gaan bevragen, betwijfelen. Opnieuw onderzoeken? Wat zou er gebeuren? Zou God dan zo maar verdwijnen in het zwarte gat van de twijfel? Dan heb je toch bar weinig geloof en vertrouwen in God… toch?

Ik voel dat ook in dit verhaal. Saulus, die zo vasthield aan de overtuigingen die hij had geleerd, de traditie, al die kennis. Alles was van tafel. Alles stond op losse schroeven. Hij moest nu kiezen voor het ongewisse…het niet zeker weten.

Hij gaat vasten, hij keert in zichzelf. Zijn blinde ogen dwingen hem daartoe. Hij moet al die donkere hoekjes van zijn eigen ziel onder ogen komen. Hij bidt.

Hij bidt om een herscheppend woord.

In het verborgene is God aan het werk. Ananias wordt gestuurd. Uiteraard na het nodige verzet. Hallo, er zijn grenzen.. deze man deugt niet.

Deze man deugt wel… sterker nog, dit is de man die Ik heb uitgekozen om voor mij te werken, krijgt Ananias in zn droom te horen.

En zo kon het gebeuren dat Ananias Saulus de handen op legt. Als het ware de blinddoek voor zijn ogen wegtrekt. En hij doopt hem. Met de naam van degene die Saulus eerst zo vervolgd heeft. In naam van Jezus.

Saulus, Paulus kijkt met nieuwe ogen naar de wereld.

Herontdekt de wereld, herontdekt wie god voor hem is, en herontdekt wioe Jezus is. Hij is niet bekeerd tot een ander geloof, hij is nog steeds joods, alleen zijn geloof is van zn hoofd naar zn hart afgedaald. Geen weten, maar voelen. En vandaaruit opnieuw opbouwen.

Paulus zegt zelf in zijn brieven dat hij door de genade van God geroepen is. Ik vind dat zelf altijd n wat lastig begrip. Tegelijk, juist die ongemakkelijkheid heeft dit verhaal ook. Dat je niet afgerekend wordt op je daden en inzichten van weleer, maar dat je compleet en helemaal aanvaard en geliefd blijft.

Genade heeft iets lpassiefs voor mijn gevoel. Iets wat je totaal niet verdiend, en toch krijgt. En dat je daar dan heel ongemakkelijk van wordt. Dat gevoel heb ik altijd bij het begrip genade. En oh ja, dat je het maar te aanvaarden hebt. Het doet iets met mijn zelfredzaamheid, mijn gevoel voor rechtvaardigheid. En daarom is dit juist zo’n sterk en krachtig iets, die genade. Want het doet iets met míjn gevoel voor rechtvaardigheid, maar ik ben niet bepalend, niet leidend daarin. Dat zou zot zijn natuurlijk. Het woord genade hoort bij God. Omdat het groter en ongemakkelijker is dan wij kunnen handelen. En het deugt. Het maakt dat je deugt, als mens. Want je bent en blijft bestaan in God. Altijd, wat je ook doet. Je deugt in Gods ogen.

Saulus, Paulus was okay.

We gaan kijken en luisteren naar een nummer van Mumford and Sons. En ik vind dit nummer eigenlijk alles zeggen wat we in dit stukje over Paulus hebben gelezen en gehoord. Een paar zinnetjes eruit:

Ik dacht dat ik t goed voor elkaar had,

Maar ik had nooit gedacht dat ik dan zou komen te zitten met gevouwen handen en blind.

Jij bent altijd mijn leidende ster geweest. Ik heb je altijd aanbeden, en heb nieuwe waarheden ontdekt.

En steeds weer, altijd weer, zul je mijn licht onderweg zijn.

Chaos vraagt een herscheppend woord

En dat woord is: Licht, en er zij licht

Amen

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.